deutsch
download

11 x nederlands divers;
Beispiele der Buchkunst in den Niederlanden heute.

“die Kunst is vonden tzo Mentz....so doch die eyrste Vurbyldung vonden in Hollant”

1499, de ‘kroniek van de heilige stad Keulen’; een onverdachte bron, ook al zal altijd duister blijven wat er nu precies bedoeld wordt met ‘Vurbyldung’. Nederlandse kunstenaars/boekenmakers hebben daar overigens wel heel duidelijke ideeën over en die hebben ook een lange traditie.

Aan de wieg van de kunstenaarsboeken in de Nederlanden staat het getijdenboek. Hoogtepunten bleven bewaard uit Gelre en een internationaal hoogtepunt is “Les Très Riches Heures du Duc de Berry”, gemaakt door de broers Paul en Herman Limburg en Herman Maelwael.

Het waren miniatuurschilders die dat vak kenden vanuit hun schilderen, zoals ook Jan van Eyck en de velen waarvan we slechts de stijl herkennen zonder hun naam te weten.

Allen hielden zich bezig met dat wat Erwin Panofsky (1892-1968) noemde: ‘infinitesimaalrekening’: de bezigheid illusoir door te dringen tot in de kleinste details.

Tegenover de ‘spectaculaire’ kunsten is de boekkunst een kunstvorm met een sterk introspectief karakter; daaraan zit een kant die wel heel erg nadrukkelijk bij Nederlandse boekkunstenaars en hun werkwijze hoort: alles zelf doen.

Die werkwijze lijkt een kenmerk dat erg bij ‘burgers’ hoort; bewoners van een land dat zich graag laat regeren door de bewoners zelf, en dat daar veel kansen voor heeft gehad doordat er nooit veel animo was bij ‘Grote Heeren’ om al te natte voeten te halen. Daar komt bij dat de grote ontwikkeling van deze kunsten hier valt in een tijd waarin ook de ‘vrije burgerij’ zijn beslag krijgt.

Dat is elders nogal anders; zo kennen we ‘The Bedford Masters’, ofwel ‘The Bedford Master’s Workshop’, en ‘die Meister der maasländischen Malweisen’’.

Het Nederlandse ‘atelier’ is nooit sterk geweest in hiërachische producties; een grappig voorbeeld is altijd de werkplaats van Rembrandt, die wel leerlingen had, maar die toch bij voorkeur hun eigen dingen liet doen, zodat hij zijn eigen schilderijen en prenten zelf kon maken tot de individuele kunstuitingen die ze zijn.

Niet alleen bij de schilderkunstige achtergrond waarbij het miniatuur hoort is dat traceerbaar naar een bron, ook in de grafiek is er een benoembare bron.

De Antwerpse houtsnijder/graveur en vooral gespecialiseerd meerkleuren drukker Jost de Negker moet een zodanige werkrelatie met Lucas van Leyden gehad hebben dat hij de schilder de weg heeft gewezen naar het zelf, zelfstandig maken, en verzelfstandigen van grafiek tot prentkunst.

Wat in Albrecht Dürer’s tijd ‘dom werk’ genoemd werd, het werk van ‘Formschneider’ en ‘Briefmaler’, werd door vele Nederlandse kunstenaars aan de hand van wat men had zien gebeuren bij Jost de Negker en Lucas van Leyden herkend als mogelijkheid de techniek zelf, in eigen hand, te ontwikkelen tot eigenzinnige artistieke expressiemogelijkheid die wezenlijk bijdraagt tot de intrinsieke kwaliteit van het kunstwerk en de mogelijkheid tot verrijking van het gehele vak.

We herkennen daarbij ook het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover het vak dat tot op heden de Nederlandse kunstenaar wezenlijk bezighoudt.

De, vooral als schilder, als ‘geniaal’ geëerde Dürer, die zelf door zijn omgeving gezien werd als ’Reisser’ (schetser, ontwerper), herkende dat trouwens; hij ruilde zijn compleet grafisch œuvre met graagte voor het grafisch œuvre van Lucas.

Hij herkende deze kant van het vak vanuit zijn bekendheid met het werk van meesters als Martin Schongauer en hij deed het zelf ten dele ook. Zijn grafisch œuvre kent hoogtepunten van eigen hand en tamelijk ambachtelijke prenten uit ‘de werkplaats’.

‘De werkplaats’ maakt de prenten met een ander doel dan het wezenlijk artistiek-inhoudelijke; hier speelt de, commercieële, reproductie mogelijkheid een rol, die een deel is van het grafisch-technisch aspect van de prentkunst.

Het is Albrecht Dürer geweest die over deze verschillende kanten glasheldere taal sprak. 26 Augustus 1509 schrijft hij aan Jacob Heller:

“Herr Jürg Tausy hat sich von ihme selbst erboten, in der Maß, Fleiß und Groß dieser Tafel ein Mariabild zu machen, in einer Landschaft.
Davon wolle er mir geben ƒ 400.
Das hab ich ihme glatt abgeschlagen, dann ich mißte zu einem Bettler darob werden.
Dann meine Gmäl will ich ein Jahr ein Haufen machen, dass Niemand glaubte, dass möglich wäre, dass ein Mann thun möchte.

An solchen mag man etwas gewinnen.
Aber das fleissig Kleiblen geht nit von Statten.
Darum will ich meines Stechens auswarten.
Und hätte ichs bishero gethan, so wollte ich uf heitigen Tag ƒ 1000 reicher sein”.

Een ander maal:

“Aber dort ist zu melden, dass ein verständiger geübter Künstner sein groß Gwalt und Kunst mehr erzeigen kann etwan in geringen Dingen denn Manicher etwas mit der Federn in eim Tag auf ein halben Bogen Papier reißt oder mit seim Eiselein etwas in klein Hölzlein versticht, das würd künstlicher und besser dann eins Anderm Großes Werk, daran derselb ein ganz Jahr mit höchstem Fleiß macht.
Und diese Gab ist wunderlich.”

Het navolgend citaat zal voor hen van belang zijn die er de positieve potentie van doorzien die de grafische kunstenaar tot zijn specifieke vakgebied heeft gemaakt:

“Also, dass kein Künstner lebt, der so gwiß sei, der da zwei Ding so gleich aneinander künn machen, dass sie nit voreinander zu erkennen wären.
Dann wir sehen, so wir zween Drück von einem gestochenen Kupfer thun - dass man Stund an Unterschied findt, daraus sie voneinander zu erkennen sind,vieler Ursachen halben.”

Het laatste zal voor ‘de kunstenaars van de uiterste intimiteit’ (een niet te vervalsen Nederlands trekje dat zijn publiek hoogte punt vindt in schilders van het “Monochrome Banketje”, zoals N.R.A Vroom het noemde in 1945) een meeslepende uitdaging zijn om juist daaruit de verbijzondering te ontwikkelen die grafiek tot autonome kunst maakt.

Buiten de eigen kring zal het vaak aanleiding geven tot geringschatting, “de meester doet het werk van de knecht”, maar in een land waarin de burgercultuur hand in hand gaat met een sterke neiging tot compromisloze individualiteit kon dit kenmerk worden voor de handwerker/kunstenaar die we herkennen in iedere periode van de Nederlandse kunst.

Waar ‘boekkunst’ meer dan welke andere kunstvorm ook zijn nadrukken graag legt in het gebied van ‘de dienstbare middenstand’ zal de Nederlandse kunstenaar - boekenmaker kiezen voor een benadering die zeer diep in en onder zijn eigen huid ligt en daar ternauwernood uit los wil komen. Deze ‘kunstenaar - boekenmaker’ weet zich geen ‘boekkunstenaar’; de laatste is een vakman met een vak waarvan de eerste wel alle kanten wil kennen en alle deeldisciplines wil beheersen, maar de kunstenaar - boekenmaker heeft in de eerste plaats een ander vak waaraan hij zich heeft verplicht. Dat vak, het autonoom kunstenaarschap, eist naast de kennis van de expressie middelen ook dat de beoefenaar de expressie middelen dienstbaar weet te maken aan de wens de eigen bewogenheid vorm te geven; dat wat we in de kunsten zijn gaan benoemen met ‘eigenheid’.

Dat, psychologisch uiteraard automatisch gekoppeld aan Erwin Panofsky’s terecht gesignaleerde drang tot ‘infinitesimaal-rekening’, maakt dat de soort kunstenaars-boeken die uit deze achtergerond tot stand komt welhaast hun gehele eigenlijke wezen pas prijs geeft bij een zeer intieme benadering.

Zo moeten we daarbij dan ook eerder spreken van een ‘gebruiker’ dan van een ‘beschouwer’.

Het kunstenaarsboek is immers geen twee dimensionaal kunstwerk (het artikel van André Ligthart Schenk bij het voorgaande lustrum van de Stichting Boek/Werk/Onderzoek) dat bij nauwkeurige beschouwing zijn geheimen toont, maar een drie dimensionaal kunstwerk dat pas geheel beleefd wordt wanneer de onderdelen die beschouwd en betast zijn, in hun onderlinge samenhang èn in hun relaties in de tijd, zijn ervaren.

Zulke ‘kunstenaars-boeken’ zijn theatrale gebeurtenissen die zich individueel en ‘op de hand’, dus ‘huid-nabij’ laten genieten.

Een welhaast bij alle Nederlandse kunstenaarsboekenmakers aanwezige kant is het bewustzijn omtrent de mogelijkheden van de formele aspecten van het boek met betrekking tot de inhoudelijke.

Het levensgevaarlijk trapeze werk dat ze daar bij voortduring opzoeken is wat hun werk veelal over de grens van het hanteerbare drijft.

Het wekt de indruk dat veel van wat er op dit gebied gebeurt, vòòr alles, dienstbaar is aan de cocon om de uiterste intimiteit.

Joseph Johannes Visser,

Easterlittens, 17-07-2003