deutsch
download

De Nederlandse ‘KOPPERPRENT’

Poging tot verkenning van achtergronden bij een traditie in een land dat tradities verdacht vindt.

EEN BEGIN MAKEN, bij ontstentenis van gemoedsrust bij een leven in oneindigheid.

Zon maan en aarde hebben, met alle andere hemellichamen, een bewegingspatroon; dat is de ruimte.

Als gevolg van hun oorsprong hebben al de aanwezige lichamen c.q. de bewegingen invloed op elkaar; dat is de samenhang.

Het is met de pissebedden, zeepaardjes en de mens al niet anders, we noemen ‘samenhang’ dan ‘levensvoorwaarden’.

Zon en maan hebben een tamelijk directe relatie tot de vruchtbaarheid van de mens en de wereld die voor hem levensvoorwaardelijk is.

De bewegingen die zon, aarde, maan, enz. ten opzichte van elkaar hebben, zoals ook de ontwikkelingseigenschappen die verschillende levende wezens en de hen omringende materie hebben, noemen we cycli. De cycli hebben weliswaar een grote samenhang doordat ze in relatie ontstaan, maar ook weer zoveel kenmerken van de wezens en dingen waartoe ze in directe zin gerekend kunnen worden, dat ze nooit geheel op elkaar afgestemd zullen zijn.

Dat geheel is voor de mens een even fascinerend als verwarrend gegeven en vanaf zijn vroegste bestaan heeft zich uit de bezigheid daarmee/het onderzoek daarnaar cultuur ontwikkeld.

De meest in het oogspringende cycli en hun samenhang met het menselijk leven zijn wel de door ons als de ‘baan van de maan om de aarde’ en de ‘baan van aarde en maan om de zon’ beschreven fenomenen. Deze fenomenen hebben een wel heel waarneembare en directe invloed op het totale leven van de individuele mens.

Het is wel heel lastig dat die twee fenomenen dan weer niet geheel op elkaar afgestemd zijn; zo tobben we al duizenden jaren met piramides en (Stone) Henges en andere kalenderachtige zaken.

Het zou in Europa tot 1582 duren voor er een zo goed als sluitende tijdsindeling per jaar, en over de jaren heen, zou worden aanvaard. Niet in de laatste plaats was het kiezen voor een bepaald beginpunt een probleem.

De vroegste Romeinen lieten de priester die het eerst een sikkeltje maan zag ‘calare’ – de nieuwe maan(d) uitroepen, Moslims kennen dat van de Ramadan. De eerst daaraan volgende dag heette ‘calendae’.

De Egyptenaren, geheel afhankelijk van de zongebonden Nijloverstromingen, deelden hun leven in aan de hand van de zoncyclus. Babyloniërs, handiger met waterhuishouding, maar als boeren afhankelijk van de vruchtbaarheid van zaden, kozen voor de maancyclus. De Germanen, diep onder de indruk van het steeds weer herleven van de natuur na de winter, zagen de zon als belangrijkst met de maan als goede tweede.

Bij alle problemen van een steeds weer niet helemaal uitkomen met 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden die de aarde nodig heeft om om de zon te draaien, kwam nog een langzaam verschuivende gezagsstructuur: priester-staat werd burger-staat. Julius Ceasar (die van rond het jaar nul) voerde in dat het kalenderjaar overeen diende te komen met het senaatsjaar. De senaat werd op 1 januari geïnstalleerd

Gezien september – zevende, oktober – achste, november –  negende en december – de tiende maand begon het jaar tot dan toe per 1 maart.

Zijn astronoom Sosigenes van Alexandrië overtuigde hem ervan alleen nog met de zonnekalender te werken teneinde ‘enige vastigheid’ te hebben. ‘Zijn’ Europa ging daar in mee, maar de kerk hield opmerkelijk genoeg vast aan de maankalender, met uiteraard Pasen – de nogal heidense wederopstanding – als begin van het jaar. Dit feest blijft daarna, wat er ook gebeurde, deel van de maankalender en zal op de zonnekalender nooit een vaste plaats krijgen. Er wordt dan nog eeuwen gehannest met een jaarbegin met Kerst, op Driekoningen en de eerste adventsdag, en we houden er een prettig-gestoorde 1 april aan over.

Poor Robin’s Almanac (1790):

The first of April, some do say, – Is set apart for All Fools' Day.

But why the people call it so, – Nor I, nor they themselves do know.

But on this day are people sent – On purpose for pure merriment.

Voor de protestantse Nederlanden is het wel grappig dat het de Spaanse, katholieke, landvoogd Requesens is die hier in 1575 de kerk in het stof doet bijten met de officiële invoering van de Juliaanse kalender.

De Juliaanse kalender maakt echter iedere eeuw 0,78 dagen te lang. Nooit tevreden met onvolmaaktheid is het dan paus Gregorius (1572 – 1585), die een verbeterde versie zonnekalender aan iedereen oplegt, compleet met een poging tot ‘terugwerkende kracht’. En zo werd het de dag na 4 oktober 1582 de 15de en zouden we van ieder volgend eeuwjaar – behalve de door vierhonderd deelbare – dan weer de Juliaanse, en iedere vier jaar zeer bruikbare, schrikkeldag afschaffen.

Dat lukt tot redelijke tevredenheid, al moesten we de atoomklok inmiddels ook al weer eens ‘gelijk’ zetten.

Tja, en in veel landen werkt men onversaagd met de maankalender.

Het is één van vele dingen waarin je geen gelijk kunt hebben; je kunt alleen maar de voor jezelf meest bruikbare traditie zo goed mogelijk benutten.

Wat je echter ook kiest je blijft, merkbaar nu en in alle tijden, zitten met een verschil per jaar van een ruwe twaalf nachten: het moge duidelijk zijn dat dat onontkoombaar aanleiding was en is voor onrust bestrijdende rituelen.

DE WILDE JACHT, en het trekken van Vrouw Holle

Zoals we weten begint de wintertijd met ‘licht uit binnen en uitgeholde pompoenen met kaarsjes buiten’:

11 november, Sint Maarten (een soort protestants-aanvaardbaar ‘allerheiligen’ op 1 november); de Ieren (niet te verwarren met Kelten, die heel ergens anders vandaan kwamen) hadden in de 5de eeuw voor Christus al Samhain (Summer End) op een soort 31 oktober, waarbij alle vuur uitging behalve dat van de druïden in Usnach.

In de eerste eeuw v.C. werd Samhain door de Romeinen ingelijfd als het feest voor Pomona, de godin van fruit en bomen; haar symbool ‘la pomme’, de appel heeft ze waarschijnlijk toegespeeld gekregen uit de ‘Goddelijke Tuin in de Ierse Zee’ waar Manannàn Mac Lir vertoefde:

He is known on to this day among solitary shepherds and fisherman of the farthest Hebrides: “An old man of four-score years; a tall, beautiful stranger, with a crest on his head, like white canna blowing in the wind, but with a blueness in it, and a bright, cold, curling flame under the soles of his feet. He will tell you many things; the flesh of his hands is like water, with sea-weed floating among the bones. He is most friendly and helpful inthat he would cause mists to rise at any moment and conceal an island, and by the same glamour he could make one man seem like a hundred, and little chips of wood which he threw onto the water would appear like ships of war; no wonder he held the kingdom against all-comers. He takes no tribute from his subjects except bundles of green rushes at Midsummer Eve upon two mountain peaks, called Warren/South Barrule and Man if you would know to identify them

‘zijn appelbomen droegen altijd.’; maar wie weet ook gepikt van achter de rug van de draak Ladon, die ze bewaakte voor de dochters van Atlas en Hesperis.

Arme Eva, als je dan ook nog bedenkt dat hun appels van goud waren.

In ieder geval – zo begin november – een mooie tijd om je fruit binnen te hebben; dat geldt ook voor het vee waarmee je nog wilt fokken. Dus ook tijd voor geroosterd varken met een appeltje in z’n bek. Manannàns tuin had er altijd één levend rondlopen en een andere aan het spit; dat samen met een niet aflatende stroom ale en cider.

De tweede november, ‘aller zielen’ is toch ook niet zo verschrikkelijk christelijk als je weet dat het stamt uit de gewoonte om haverkoeken met krenten, ‘zielekoeken’ (pars pro toto; pas in 743 kwam de kerkelijke wet tegen deegfiguren) te geven aan bedelaars, zodat ze er tenminste enkele zouden opeten van de horden die in de donkere winterdagen zouden kunnen proberen eerlijke mensen te belagen.

Zo, nu kan ‘De Wilde Jagd’ beginnen

2. Merseburger Spruch (D. L. Ashliman © 1998):

Phol ende uuodan uuorun zi holza.
 – Phol and Wodan rode into the woods,

Du uuart demo balderes uolon sin uuoz birenkit.
 – There Balder's foal sprained its foot.

Thu biguol en sinthgunt, sunna era suister,
 – It was charmed by Sinthgunt, her sister Sunna;

thu biguol en friia, uolla ere suister,
 – It was charmed by Frija, her sister Volla;

thu biguol en uuodan, so he uuola conda:
 – It was charmed by Wodan, as he well knew how:

sose benrenki, sose bluotrenki, sose lidirenki:
 – Bone-sprain, like blood-sprain, Like limb-sprain:

ben zi bena, bluot si bluoda,
 – Bone to bone; blood to blood;

lid zi geliden, sose gelimida sin!
 – Limb to limb, like they were glued.

De geschilderde scene is al bekend uit de 6de eeuw. Deze spreuk is opgetekend in een handschrift uit de 10de eeuw.

De spreuk zelf wordt algemeen verondersteld veel ouder te zijn.

Phol en Baldur worden beschouwd als één en dezelfde, en het is opmerkelijk om Wodan, identiek aan Odin, tegen te komen als heler.

Van de genoemde dames ken ik Frija, of Frigg, als een vrij en vrolijk ding, dat met alle goden slaapt en amber en goud huilt wanneer Odur haar verlaat; overigens is hij waarschijnlijk haar vader en de man die ze trouwt. Ze geeft er de voorkeur aan te resideren in haar kleine paleis: ‘Fansalir’ (het ‘Domicili van de Zee’).

Hier is ook veel overeenkomst met Fand, de geliefde van Manannàn.

Wolla, met haar als rijpend graan, is haar zus. Zij dient te waken over het juwelenkistje van Frigg.

Frigg is overigens niet zo goed in het actief deelnemen in situaties.

Frija, Frigg, Frigga, Perchta, Perhta, Vrouw Holle, Hulda, Holda, Frau Herke, Freke, Frau Gode, Knäuel, Stegele, Chungele, Strega, St. Lucia: ze is vol van liefde, brengt vlas tot de mensheid, is de de eerste spinster en is een ziener: niet van zekerheden, maar van dingen die de toekomst zou kunnen brengen.

De spinrok is haar attribuut. Veel van haar innerlijk conflict kennen we van het prachtige Zutphense vers "Auch dochtter, watt hefft v die rocken misdann":

Auch dochtter, watt hefft v die rocken misdann
 – datt ghy so node wiltt spinnen

hie siitt dy mitt den neckenn an
 – dar hie dich wil mytt vervinnen

Auch dochtter, so laett den rocken stann
 – laett v den lansknechtt nichtt affgan

gott, er die spinnerinen

Auch mouder, ich hebe ain et gescharen
 – datt ick nytt mer will spinnen

datt hatt gedain ain lansknechtt goutt
 – hie leytt mir inn denn sinnen

hie schlept wal inn denn arme mien
 – den aouentt to den morgen

Dat wat zo gemakkelijk benoemd wordt als een conflict is in werkelijkheid het evenwicht in het (menselijk) leven: de toeweiding tot het gezin, tot thuis, tot het werk, tot de liefde, en de zin om weg te gaan van huis, tot lust, avontuur en ontspanning. Lust is daarbij altijd dubieus, maar diezelfde lust is de lust die zozeer deel is van de liefde die ons gezin en thuis en werk brengt. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Vrouw Holle en haar dames zo in de donkere dagen rond kerstmis ‘hun rondes doen’, en dan de ‘vlijtigen’ belonen met goud en de ‘luiaards’ bezoedelen; geheel overeenkomstig het ‘verloren zoon’ verhaal.

Mevrouw Hyldemoer, zoals ze in Scandinavische landen heet, Frau Ellen, Lady Ellhorn leeft in de Vlierboom; ze is de Witte Godin: Hecate, Demeter, Diana – jawel, degene die zich op haar best toont in ‘de nobele jagt’, alle met het primaire en heilige getal 5 – jawel, de Vlierbloesem heeft bloemen met vijf blaadjes, vijf stempels aan de stamper en vijf kelkblaadjes – en al deze dames bewaken de deur die toegang geeft tot het dodenrijk en tot het terrein van het duister innerlijk.

De Vlier staat voor leven, dood en wedergeboorte; ze is de boom van het wintersolstitium, de dertiende maand in de boomkalender, van de periode tussen 25 november en 22 december; allemaal nog voor het hoogtepunt van de ‘Wilde Jagd’ in de tijd van ‘de Twaalf Nachten’ tussen 25 december en 6 januari.

Er is een hoop gaande in die tijd in de gelederen van Odin; die tijd waarin de verschillen tussen het maanjaar en het zonnejaar dienen te worden weggewerkt; als er tenminste nog leven zal zijn na deze koude en stervende periode. De Wilde Jagd, met al zijn wervelende contacten tussen Odins bende, met de dolende zielen, en Frija en de dames, met de dode kinderen, is een waarlijk gevaarlijke tijd; maar er is een kans op zwangerschappen wanneer men elkaar ontmoet en dan zal het leven dus toch herbeginnen.

Het is soms moeilijk de vergelijking tussen mens en wolf te negeren.

Perchta/Holda woonde op de Venusberg en de kinderen kwamen uit haar vijver.

In die oneindig onvolledige reeks wil ik er nog één toevoegen, alleen al om de onuitputtelijkheid aan te duiden: Rasoalavavolo van Madagascar, die ook maar voortdurend kindertjes uit putten vist; net als die ‘Puppe’ van langs de Rijn:

Sonn, sonn, scheine – Fahr über Rheine – Fahr über's Glockenhaus – Gucken drei schöne Puppen aus – Eine die spinnt Seide – Die and're wickelt Weide – Die dritte sitzt am Brunnen – Hat ein Kindlein g'funnen.

Ik laat het maar helemaal aan u over waar Maria en Jezus, en de in dat verband ook genoemde broers zonder ooit genoemde vader, in passen; en wat te denken van de Drie Koningen, die zo’n goede gelijkenis hebben met de donkerharige, de grijs-witte en de rossige woestelingen op schimmels, en de mannen die in Schotland voor je deur staan met een stuk steenkool, ‘shortbread and whisky’. Niemand kent de letterlijke betekenis van het woord ‘hogmanay’; maar de Grieken kennen’hagia-mana’ voor heilige maand, in Scandinavië noemt men de ‘slacht-nacht’, de dag voor de kerstviering, ‘hoggo-nott’; de Anglo-Saksers hadden een ‘Haleg Monath’, de Germanen hadden een ‘hogg-minn’ voor ‘herinnering aan de offers te brengen aan Thor’, de Gaelic ‘nieuwe morgen’ klinkt als ‘oge maidne’, en het middeleeuws Frans had ’au gui l’an neuf’ in verband met de mistletoe, dat veranderde in ‘anguillanneuf’ voor het ‘nieuwjaarsgeschenk’; het Franse ‘au geu menez’ wordt in Schotland gevierd door alle mogelijke spelletjes mee te nemen op de oudejaars visites.

Ja, ja!, wilde tijden die jaarwisseling, de ‘Daft-Days’, ‘le Festival des fous’, met ‘ne’erday’, met ‘first-footing’ en ‘duan’ gezang om tenslotte te eindigen met ‘uphalieday’, de zesde januari.

Teneinde alle begrip voor de begrippen geheel op losse schroeven te zetten dienen we ons te realiseren dat ‘nieuwjaar’ pas sinds de middeleeuwen in januari is terechtgekomen; de christenen hebben nog lang gepoogd één en ander met Pasen te regelen; en dan wil ik niet eens beginnen over de Joodse of Islamitische kalender.

Perahtun-’, ‘stralende-’ dag is Perchta’s dag, die we nu kennen als Epiphania, de 6de januari. Ter viering is er nieuw brood, zonder gist, en vis; als je je daar niet aan houdt en overgebleven koeken eet uit de kersttijd straft Perchta je persoonlijk met verschrikkelijke darmoprispingen.

KOPPEREN Na het TREKKEN VAN VROUW HOLLE;

Nieuw beginnen (in de Nederlanden Maandag na Epiphania)

 

1. Now mirk December's dowie face
Glours our the rigs wi' sour grimace,
While, thro' his minimum of space,
The bleer-ey'd sun
Wi' blinkin light and stealing pace,
His race doth run.

2. From naked groves nae birdie sings,
To shepherd's pipe nae hillock rings,
The breeze nae od'rous flavour brings
From Borean cave,
And dwyning nature droops her wings,
Wi' visage grave.

3. Mankind but scanty pleasure glean
Frae snawy hill or barren plain,
Whan Winter, 'midst his nipping train,
Wi' frozen spear,
Sends drift owr a' his bleak domain,
And guides the weir.

4. Auld Reikie! thou'rt the canty hole,
A bield for mony caldrife soul,
Wha snugly at thine ingle loll,
Baith warm and couth;
While round they gar the bicker roll
To weet their mouth.

5. When merry Yule-day comes, I trow
You'll scantlins find a hungry mou;
Sma' are our cares, our stamacks fou
O' gusty gear,
And kickshaws, strangers to our view,
Sin Fairn-year.

6. Ye browster wives, now busk ye bra,
And fling your sorrows far awa';
Then come and gie's the tither blaw
Of reaming ale,
Mair precious than the well of Spa,
Our hearts to heal.

7. Then, tho' at odds wi' a' the warl',
Amang oursells we'll never quarrel;
Tho' Discord gie a canker'd snarl
To spoil our glee,
As lang's there's pith into the barrel
We'll drink and 'gree.

8. Fiddlers, your pins in temper fix,
And roset weel your fiddle-sticks,   
But banish vile Italian tricks
From out your quorum,
Nor fortes wi' pianos mix,
Gie's Tulloch Gorum.

9. For nought can cheer the heart sae weil
As can a canty Highland reel,
It even vivifies the heel
To skip and dance:
Lifeless is he what canna feel
Its influence.

10. Let mirth abound, let social cheer
Invest the dawning of the year;
Let blithesome innocence appear
To crown our joy,
Nor envy wi' sarcastic sneer
Our bliss destroy.

11. And thou, great god of Aqua Vitæ!
Wha sways the empire of this city,
When fou we're sometimes capernoity,
Be thou prepar'd
To hedge us frae that black banditti,
The City-Guard.

The Daft Days by Robert Fergusson (1750 – 1774

 

De feesten van de twaalf nachten kennen we nu alleen nog uit de Engelse tradities: the Twelfth Night Festival, waarbij de koning in conclaaf gaat met de zogenaamde ridders en dineert met de hoofden van staat. Zijn hofhouding bestaat uit: de Kerstman, Minced Pie, Roast Beef, Plum Pudding, Carol, Gambol, Post and Pair, New Year's Gift, Mumming, Wassail, Offering, Cupid, Babycock en anderen. Acteurs die zich de Mummers noemen verkleden zich als travestieten en voeren toneelstukjes op voor de koning en de edelen. Een populair stuk daarbij is Saint George and the Dragon.

Na de feesten van ‘de Twaalf Nachten’ moeten we een schone start maken.

In Nederland kennen we (en de ontwikkelingen na de jaren 50 van de vorige eeuw waarbij ook protestant Nederland het katholieke carnaval is gaan vieren laat ik nu even buiten dit betoog) de ‘Koppermaandag’ als de dag waarop we elkaar een goede start voor het werkende jaar toewensen.Alle gilden hadden een ‘Koppermaendag’, of ‘kopperen maendag’, of ‘koppeltjes maendag’.

Tegenwoordig is dit feest slechts overgebleven in de kringen van drukkers; ze hebben er ‘hun’ feest van gemaakt en een hoogtepunt is de uitreiking van ‘de Kopperprent’. Ik weet nog maar weinig van de tinnen lepels die door reders werden geschonken aan hun kapiteins; of van welke andere traditionele uitwisseling van gaven waarmee geluk kan worden afgedwongen in het komende jaar.

Robert Herrick: Saint Distaff's Day, Or The Morrow After Twelfth Day:

PARTLY worke and partly play –Ye must on S. Distaff's day

From the Plough soone free your teame; Then come home and fother them.

If the Maides a-spinning goe, Burn the flax, and fire the tow:

Scorch their plackets, but beware –That ye singe no maiden-haire.

Bring in pailes of water then –Let the Maides bewash the men.

Give S. Distaffe all the right, Then bid Christmas sport good night;

And next morrow,every one –To his owne vocation.

EEN SIMPEL GENRE WENSKAARTEN

Steeds weer kijk ik in mijn werkkamer met onverholen vertedering naar de ets van een schamele ezel in verschillende standen, op een prentbriefkaart-groot blad getekend en, gezien de tekst in de plaat, gedrukt in januari 1773 in London; een ‘nieuwjaarsgroet’ voor een (gezien de gekozen techniek) niet al te grote potentiële clientele en de opdrachtgevers van het verleden jaar.

Uit studie weet ik dat het in zo’n kader maken van geëtste dierafbeeldingen geliefd gemeengoed was in de handen van ‘grafische dilettanten’, nadat Paulus Potter, 1625 – 1654, daarvan een gewaardeerd genre had gemaakt.

Deze prent hoort dan ook thuis bij de min of meer sentimentele kaarten die iedereen elkaar elk jaar toestuurt en die afhankelijk van de afzender “kerstkaart’ danwel ‘nieuwjaarskaart’ worden genoemd.

Elk jaar weer, en dat reeds eeuwen, wordt er door grafische kunstenaars en werkers in de grafische bedrijfstak tot uiterlijk ‘de eerste maandag na de eerste zondag na driekoningen’ een druksel, kalender of prent gemaakt; als groet, heilswens of hernieuwde kennismaking bij het begin van een kalenderjaar.

Dit gebruik is een direct bij het begin van de boekdrukkunst voortgezette traditie van rederijkers om jaargedichten en verzen in geschreven vorm aan een gastheer aan te bieden nadat men ze had voorgedragen; ‘fraai pennewerk’ werd daarbij niet geschuwd.

De inhoud was vaak ‘Memento Mori’ – spiegels van het verleden als vooruitblik; uiteraard met wensen tot verbetering.

Ook kennen we hieronder de gedichten met karakterisering van de maanden met vaak ook weersverwachtingen.

Het beroemdste, wat latere, voorbeeld van zulk een tekst is te vinden in Amsterdam, en wel in een bijzondere vorm: de jaarlijks aangepaste ‘Nieuwjaarswens van Thomas Vaer en Pieternel’ als onderdeel van ‘de Bruiloft van Kloris en Roosje’. Het stuk werd waarschijnlijk in 1688 geschreven door Dir(c)k (van) Buys(/z)ero, 1644 – 1707. ‘Thomas Klorisse’ en zijn ega ‘Pieternel’ zijn de ouders van ‘Kloris’; hun ‘Nieuwjaarswens aan de stad Amsterdam’ (een stukje in het toneelstuk) werd, ruwweg traditioneel, ieder jaar herschreven en opgevoerd.

Een beroemd vertolker was, rond 1705, Thomas van Malsen aan wie het hele ‘Kluchtspel met zang en dans’ werd toegeschreven omdat, waarschijnlijk, de nieuwjaarswensen in de twee versies van de eerste gedrukte uitgave uit 1707 van zijn hand waren.

De arme Dirk was in zijn laatste levensjaar stevig aan de drank. Honni soit qui mal y pense; er zijn vele bewijzen van drankzucht van ouderen en ex-soldaten uit die tijd, als gevolg van het voorgeschreven huismiddel voor pijnbestrijding: genever.

Wens en voorspelling gaan vanaf het begin hand in hand en de samenhang met de kalender is er ook al vroeg in de vorm van de ‘almanak’: een kalender met dierenriemtekens en dergelijke; vol van wensen, waarschuwingen en voorspellingen; liefst met zekerheden over het weer waar eenieder van afhankelijk is.

Rond 1520 kwam zo het volgend rijm tot stand, betreffende het sterrenbeeld van de schrijver van dit stuk:

Sagittarius – dat teken – sijn geschut is fel – Sijn boge is sterc – sijn inclinatie rebel

Ic moet antwoerden al op U vraghen – Daer om en wilt U niet versaghen

Al is die toeneyghentheyt int quaet gheleghen – Dat wert van God wel anders ghevleghen

Dat ongheluck sal U soe overvallen – Dat Ghi selden in rijcheit sult vervallen

Ghi sult wel connen wercken met Uwen handen – Ghi sult oec groot sijn van verstande

Dat Ghi wel ghelt sult winnen met hopen – Ende niet sultdijt achten – mer al verlopen

Als Ghi sult hebben ghelt ghewonnen – Dan suldi gaen wandelen inder sonnen

Tot dattet gheldeken al is verdaen – Dan suldi ten leste aen die bedelsack staen

Soe veel ghelucx sal U sijn ghewronghen – Als Ghi haers hebt op Uwer tonghen

Ende ghi sult soe rikelick nae Uwen state gaen – Dat beyde U schoen sullen vol gaten staen

Ghi sult traech ende een arm catijf sijn – Met gheschoerde clederen veel luysen op U lijf sijn

Uten schotel metten knope sal sijn U teringhe – Onder den rabauwen sal sijn U neringhe

Ghi sult niet achter dencken – noch wat houden dan – Om te sparen teghens den ouden man

Dan en suldi niet hebben waer op te leven – Doer ghebreck suldi U int gasthys begheven

Dijn gheluck en wil Ic niet verwijten – Want ghi sult noch wel so veel stronts schijten

Ende waert dat Ic't segghen dorst – Ghi sult van vollen darmen maken ydel worst

Eén der beroemdste ‘almanakken’ is de ‘Snoeck’s’, die eind 18de eeuw verschijnt; en de Enkhuizer Almanak, die zelfs nauwelijks is veranderd.

Voor het maken van een afdruk van een tekst, meer dan een korte wens, komt schijnbaar veel kijken. We kunnen ons nauwelijks nog voorstellen hoe onbereikbaar ‘letter’ (= loden zetletters) was toen de pc nog geen gemeengoed was. Kerk en staat, drukkerspatronen en drukkerbond deden er alles aan om te voorkomen dat ‘Jan en alleman’ zich in eigen vrijheid vergreep aan de welhaast gezegende middelen, die omgeven waren met geboden, verboden en geheimtaal. Hoezeer ook, iedere keer dat je het ziet, bewezen wordt dat het vervaardigen van een leesbare tekst met een aanvaarbare typografie een stuk eenvoudiger is dan het maken van een zelfs maar diletantistische prent, toch zou de nieuwjaarskaart met wat meer tekst lange tijd voorbehouden blijven aan vakdrukkers. Nieuwjaarsdrukwerk in deze kring was veelal tekst in kolommen: ‘plackaten’, waarbij de beeldelementen alleen dienden om die kolommen te ondersteunen of te benadrukken. Overigens heb je voor zo’n gebruik wel een ‘vrijheid van drukpers’ nodig om zonder moeilijke privilegieën, leges, e.d. aan papier te komen voor een ‘openbare uitgave’ zonder al te veel nut, of tenminste een invloedrijk vakbroederschap dat zulk een gebruik toestaat.

Dat was buiten Nederland bepaald niet altijd en overal gelijkelijk het geval; wat het ontstaan van een unieke traditie als het maken van ‘Kopperprenten’ ernstig in de weg staat. Nederland kende direct na de Spaanse overheersing reeds een sterke neiging tot ‘vrijheid van drukpers’; de ontwikkelingen rond 1795, met o.a. 1798, de Kentucky Resolutions, leidden reeds tot de oprichting van de Nederlandse Nationaalbibliotheek (de latere KB) en de ‘Staatsregeling van 1798 van de Bataafse Republiek’, betreffende de meningsuiting en drukpers.

Het is verleidelijk te denken dat het Thorbeckes noodlot was om geboren in datzelfde jaar zijn leven te wijden aan zijn beroemde grondwetswijziging van 1848, waarbij voor eens en voor altijd de vrijheid van drukpers met alles erop en eraan werd geregeld.

Het is opvallend, gezien de frequentie van uitgifte en de inhoud van de teksten van de koppergedichten op de kopperprenten na 1848, hoezeer de invloed van dat wetsartikel doorslaggevend was voor de dankbare en trotse drukkers in het gilde van ‘hun eigen Laurens Janszoon Koster’: ‘die van Gutenberg’ zouden nog heel wat aftobben voor ze tot een dergelijke vrijheid zouden komen; het is mijn stellige mening dat Koster er vooral daarom ‘overtuigder; dan ooit daarvoor zou inkomen als ‘de Nederlandse uitvinder der boekdrukkunst’: niet dat het kan, maar dat het mag!

MET KOPSTEM ZINGEN;

Kopperen deden we toen al eeuwen, met of zonder prenten.

In MDLXIV verhaalt Jan de Bruyne de Jonge (Te Harlingen by Hero Galema) “:

"…dat wy den zang der Heyligen en Engelen hier op aerde gezongen hebbende, hier namaels onder't getal der Heyligen en Engelen in den hemel mogen raken, en dese zielzuigende nooten, in dat overvriendelijck gezelschap, eeuwighlijck uytboezemen; Ghy Heere zijt weerdig t'ontfangen de heerlickheyt, en d'eere, en de kracht: want uw is't Rijke, de kracht, en d'heerlickheyt, in der eeuwigheyt, Amen. Nu wy hier toe gekomen zijn, ô mijn ziele, bemerrck eens, voor het slot van alles, hoe volmaeckt dit gebedt is, waer in de Beeden van menschen en Engels zijn; de Beeden van de strijdende en zegepralende Kerck; van onnoozele kindertjes, boetveerdige zondaers, en trouwe Geloovers. Als ghy dit aendaghtelik gedaen hebt, stel u dan om te luysteren wat het voor een gedommel in Gods ooren maeckt: hoe aengenaem moet het wezen, daer al de zangen van Christus eygen maeksel zijn? hoe bekoorlick, daer'er niet dan zoo overzoete zingers in komen? hoe luyde, daer zoo menighvoude stemmen onder malkander kopperen en vreugdegalmen?"

Daar is ‘kopperen’ dus meerstemmig zingen.

Met de instrumenten kwamen de ideeën over muziek vanaf de 6de eeuw via Grieken, etc. naar Noord-West Europa. De ‘eigen’ muziek kende slechts uiterst eenvoudige natuurgeluiden; slag- en blaasinstrumenten met een gering aantal tonen. De opbouw van vroege muziek is ritmisch, éénstemmig en de begeleiding is deel van die éne stem; langzaam ontwikkelt zich daaruit een parallelle stem. Bij het zingen gebruikt men voor een tweede stem de kopstem. In zuidelijk Europa ontwikkelt zich in de 13de eeuw de werkelijke (eerst erg theoretische) meerstemmigheid, waarbij muzikaal zelfstandige melodieën zich als lagen boven, onder en door elkaar bewegen. In één van de vormen daarvan, de cacchia, is er zelfs sprake van vaak totale onafhankelijkheid van de melodie en de tekst.

De behoefte er iets ‘harmonieus’ van te maken is sterk aanwezig, maar de ontwikkeling van de middelen daarvoor: een bruikbaar muziekschrift met vaste waarden en geschreven over meerdere balken is moeizaam gegaan. Beginnend bij Guido van Arezzo (±995  – 1050) met twee lijnen, via de Nôtre Dame periode van het Grégoriaans over vijf lijnen met desnoods hulplijnen, komen we in de Zuidelijke Nederlanden tot ‘mensuur’, d.w.z. tijdmaat; pas in de 16de eeuw komt er een algemene eenheidswaarde: brevis/semibrevis. Vooral de invoering van de mensuur was een doorbraak die wezenlijke meerstemmigheid nodig had; je kunt dan in de tijd afbakenen welke noten in welke mate van gelijktijdigheid dienen samen te klinken. Was ‘harmonie’ voor de Grieken nog de verhouding van elkaar opvolgende noten ten opzichte van elkaar, nu is de verhouding van tegelijkertijd klinkende noten tot elkaar een wezenlijke verrijking van de muziekpraktijk.

Deze ontwikkeling zou eerst worden toegepast waar ze werd ontwikkeld: in de ‘officiële’ muziek van Johannes Ockeghem (1425 – 1497), Anthoine Busnoys, Johannes Regis, Jacobus Barbireau, Guillaume Fauges, Alexander Agricola; om te worden vervolmaakt en over de wereld te worden verspreid door Jacob Obrecht (±1450 – 1505), Josquin des Prez (±1440 – 1521) en cosmopolieten als de Vlaams-Brabantse Heinrich Isaac.

Vanaf 1501 brengt het drukken met beweegbare lettertypen ook in de muziek de ‘handel over straat’. Petrucci in Venetië, 1501; Attaingnant in Parijs, 1527; later Susato en Plantin in Antwerpen en Phalesius in Leuven brengen oplagen muziek uit voor het volk, meerstemmige dansen en liederen met begeleiding.

Vanaf 1520 is het algemeen om de tekst onder alle stemmen voluit te noteren en zijn er soms zelfs meer dan vijf gelijkberechtigde stemmen in een harmonisch, homogene eenheid.

Het afstemmen van de verschillende instrumenten op elkaar is eerst nog niet zo eenvoudig, en er is dan ook sprake van een indeling van instrumenten naar hardheid: de ‘hoge’ (blaas- koper- of slaginstrumenten) “Qui mieulx aux danses plaisaient: Pour la grant noise qu’ilz faisoient” en de ‘lage’ (stijkers en blokfluitachtigen). Daarenboven is er dan de extra moeilijkheidsgraad voor de koperblazers: hen staat in de ontwikkeling van steeds gecompliceerdere harmonieën slechts de grondtoon waarin één bepaald koperen-blaasinstrument (trompet, hoorn, e.d.) gestemd is, met haar boventonen (kopstemmen) ter beschikking. Chromatiek is uitgesloten tenzij je erg slim omgaat met instrumentwisselingen tijdens het stuk.

Vanaf de late 16de eeuw experimenteren bouwers met soms zelfs bizarre bochten (de Romeinen hadden al drie meter buis, dus er kon nogal wat). Dit leidde echter eerder tot de zogenaamde ‘lusttrompetten’ zoals we die rond 1595 van Antonius Schnitzer uit Neurenberg kennen.

Bij deze, dus kortere, instrumenten werd nu ook de mond van de beker met een hand van de bespeler bereikbaar en men ontdekte dat hiermee het toonbereik verlaagd kon worden.

In de 18de eeuw wordt het voor de instrumentbouwers noodzakelijk ook voor de koperblazers chromatiek bereikbaar te maken, omdat componisten ook aan de ‘hardere’ partijen in hun composities hogere eisen stellen dienaangaande. De werkelijke oplossingen komen met de kleppentrompet van Sandbach, London 1812 en definitief, zo’n 20 jaar later met de ventielinstrumenten van Stölzel en Blühmel.

Het ware ‘tetteren’ kan beginnen: “hoe luyde, daer zoo menighvoude stemmen onder malkander kopperen en vreugdegalmen?”

Al met al een ontwikkeling waarbij ik me kan voorstellen dat het weer niet lang hoefde te duren of de bewondering voor meerstemmig zingen en musiceren met grote groepen moest omslaan in ergernis van vroedschappen over het massaal blèren en tetteren; en zo tot het verbod tot ‘nieuwjaarszingen’ in hun stad. Het ‘Kopperen’ werd verboden; het kreeg een negatieve betekenis.

In de 18de eeuw zou de betekenis vooral in de richting van brassen, feesten, drinken gaan, lallen en blèren; en na een ‘koperen maandag volgt dan wel eens een ‘blikken dinsdag’; in de 20ste eeuw zijn in Het Westland de kwekers taartjes aan het eten terwijl ze een kaartje leggen wanneer ze samen ‘kopperen’.

Handje klap,
steek in de zak.
Ga naar de markt
koop een koe.
een stukje van de lever toe.
een stukje van de longen
voor een zieke jongen.
een stukje van de pens
voor een ziek mens
een stukje van de lever
voor de zieke wever

DAS ‘KOOPSLAAN’,
“einen ‘kopsaligen mandach’ findet man in den Neujahrstraditionen, bei denen Ostern als Anfang des Jahres angesehen wird.”

‘Kaufsellig’, Adjektiv: zum Kauf gehörig oder darauf bezüglich.

Aus: DEUTSCHES RECHTSWÖRTERBUCH Wörterbuch der älteren deutschen (westgermanischen) Rechtssprache Forschungsstelle der Heidelberger Akademie der Wissenschaften

“sein auch darumb ir recht schermbs und geweren fuer all ansprach als purchrechtz und chaufsschermbs recht ist in Oesterreich” 1398

“Kaufselliges Fenster”: Auslagefenster: “de bischop … eskede ok eyn groet ghelt van der stad Hildentzem … van den husen unde van kopselligeu vynsteren” (1489 Lübeck)

“Kaufselliger Montag” wie “Kaufschlagemontag”: “in der ersten fastwochen gegen den kopseligen Montag” (1525 Brandenburg)

“Kopseliger montag, kopsaliger mandag, kopshillige mandag, kopslag mandag”: in Mecklenburg und Brandenburg der Montag nach Invocavit.

“In der ersten fastwochen gegen den kopseligen montag 1525”

“1549 des kopseligen mandages... desz andern dages up Gregorius dach”

“up den kopsaligen mandach na dem sondage invocavit in den hilligen vasten 1481”

Kaufschlagen;
desistere caufslagon, kiusslagon, kislagon

“der koufslagen wolde dâ lieber denne anderswâ, der solde in willekomen sin” (1290)

“we guot vntfeit van sinen olderen, dar he mede koepslaghet” (± 1350 Lübeck)

“welk man kopschlaget ledder uppe dem buffelmarkede” (± 1350 Pommeren)

“der gast mag ... seyn gut ... alleczeit vorkowffen und als eyn gast kawffschlagen” (1375 Krakau)

“kouffslayt ouch eyner in eynem anderen gerichte oder borgite er do icht, er muste do antwerten” (±1490)

“van borge to copslagende kaufen” (14de eeuw Nowgorod)

“sal keyn man myt dem anderen buten adir kofslan yn dem werke adir yn dem brudirbire” (1412 Danzig)

“unsere burgere unde metwoner, dy do phlegin zcu kaufslayn mit vyhe” (1425 Freiberg)

“welcher kaufman in sulcher meynung kawfslaget, das land vnd lewt durch in notdurft bekumen mochten” (1430/43 Olmütz - 1433 Breslau)

“of die soene koep slagede, daer sal de vader geen doen mede hebben, dat weer sake, dat die vader dat mede hanteerde” (1470)

“hait die bösen groschen widder vor gut vssgegeben vnd damit gekouffschlagt” (1472 Harz)

“burger ..., die mit der wag, elen vnd masz nit kauff schlagen ..., am landgericht sitzen” (1489 Nürnberg)

“ein swedischs mhan, de in Sweden tho hin höreth, de is hir fry tho kopslagennde, dar wy in Swedenn wedder fry hebben tho kopslagennde” (±1550 Visby)

“ut iderm huse schal men ener kopschlagen” (1563 Westphalen)

“daß niemand der bürger, welche kauffschlagen, möge handwercke treiben” (1692 Beiern)

“bricht her zcum virden mole, so sal man ym syn koufslagen nidder legen” (±1385 Königsberg)

“vorleihen ine ... denselben iarmarckt ... zu halten mit kauffen, vorkauffen und kaufslahen allerley vihes” (1492 Jena)

“heft he ock myt deme anderen alleyne kopslaget unde des na vorsaket, so bescherme he syck myt seyneme eede alleyne” (±1400 Schlesweig)

“daß zwen unsrer burger mit einander gekaufslagt und war umb war gestochen haben” (1436 Wien)

“kaufschlagen … so viel als einen handel schliessen. es hat seine benennung von dem handschlage, der dabey zu geschehen pflegt”: (1785 Hennig, Preußen)

“en iowelk borghere mach sek sprecken in enen kop icht he to mate kumpt, de wile men dar umme kopslaghet mit sinme werkenoten” (1343 Hannover)

“item schal men hoveschliken kopslaghen unde den kopman nicht tovorsprekende, wo he des nicht vordene” (1445 Lübeck)

“kam alzeit ein roßdüscher, der koufft kein pferd, nur das er da kouffschlagt” (1515 Eulenspiegel)

“solle beschechnem khaufschluß gemäß khaufer daß khaufgelt zu erlegen… schuldig sein” 1599 (Nieder Österreich)

“Having 'agreed for a place,' as it is called, either at the fair, or (occasionally) by private intelligence, or (with growing frequency) by advertisement in the penny local papers, the terms are usually reduced to writing: though formerly a written agreement was unknown, and is now, as a rule, avoided by the farmer if the labourer does not insist upon one. It is signed by both, and a shilling is passed to bind the bargain. The business is then settled, and the man returns to his place of work, to do no more in the matter till Lady Day, Old Style – April 6.”

Alweer zo’n ‘datum’ waarop met een nieuwe overeenkomst ‘Het Nieuwe Jaar’ wordt begonnen.

Van Dokkum, waar de schippers op koppeltjesmaandag (de eerste maandag na de eerste zondag na driekoningen) personeel aannemen en de gemeente de rekeningen effent met de bewonders van de bleek, tot Norfolk (Engeland) alwaar naar een eerste ploegstreek het feestbanket wordt voorgezeten door ‘Queen Bessy’ en ook Canada, waar de boeren hun knechten uiteraard op een voor boeren gunstig begin (dus eind maart – begin april) met een handslag ‘kopen’ (men nam dat letterlijk) of ‘inhuren’ en New York waar de ‘Molly dancers’ (dames, geen Morris dancing gentlemen) rondhopsen (zonder zelfs maar een notie waarvoor dat moet in het hartje van de stad), wordt en werd dus een ‘arbeidsnieuwjaar’ gevierd ná de nieuwjaarsviering aan de hand van de ‘moderne’, of mengvorm ‘oud-nieuwe’ kalender.

“This is the day on which the restored Llew takes his vengeance on Goronwy by piercing him with the sunlight spear. For Llew was restored at the Winter Solstice and is now well enough to vanquish his rival and mate with his lover and the great Mother Goddess, who has returned to her Virgin aspect at Candlemas; welcomes the young sun god's embraces and conceives a child. The child will be born nine months from now, at the next Winter Solstice.”

Voor moderne heksen is Lady Day een minder belangrijke Sabbath; zij zullen vaak 25 maart (te beginnen op de avond tevoren) kiezen of het dag- en nachteveningspunt, wanneer de zon de evenaar overgaat en het teken Aries binnengaat.

GEBRUIKEN ROND HET ‘KOPPEREN’

Schilder en dichter Gerbrandt Adriaensz. Brederode (1585 – 1618) publiceerde ‘Moortje’ in 1616. Dit stuk is zo populair dat Samuel Coster over de opvoering van ‘Lucelle’ en ‘Moortje’ meldt:

“(…) dat van den tweeden Iulij 1615 af, tot April 1616 toe, 'twelck minder is als thien achter een volgende maenden, het Oudenmannen Goodshuys door den vlijt ende neerstigheyt van ons Tween over de twee duysent guldens, boven alle onkosten, ghenoten heeft, behalve dat de Camer noch soo aen kleeren als ander behoefticheden daerby grootlicx is verrijckt.”

Ze verdienden daar zelf niets mee, waarover Bredero zegt:

“Mijn eygen saecken roepen mij tot de schilder-kunst, en die tot soet gewin”

hij verdiende de kost met schilderen en was als dichter ‘amateur’ (zelfs het in zijn vader’s testament genoemde schilderij ‘Fortuijn’ nooit is terug gevonden). Nogmaals terug naar één van de theaterstukken: het was Moortje die een vader had,

“soo milt en soo roijaals, dat hij ons sonder vragen gaf een nieuwjaar, met een teerpenningh tegen de kopperdagen”.

Daar mag dan toch niet teveel onduidelijk aan zijn.

Er is wel iets in die zin waar gemakkelijk overheen gelezen kan worden, wanneer je er vanuit zou gaan dat schrijvers rondstrooien met woorden met een mate van spilzucht, namelijk: “sonder vragen”; daar is iets mee. Het zou kunnen duiden op een soort ‘Brave Hendrik’ achtigheid, maar die zal tot 1852 moeten wachten tot hij bij Everardus Johannes Potgieter in ‘Jan, Jannetje en hun jongste kind’ zijn intrede doet; of ten minste tot 1778 – 1781 in ‘Kleine gedigten voor kinderen’ van Hiëronymus van Alphen (1746 – 1803). Dus wat is dat daar voor mededeling?; wat mis ik daar?

In alle mij bekende culturen is het een diep geworteld bijgeloof dat men ‘goed’ moet beginnen om een redelijke kans van slagen te hebben (heel hinderlijk voor ‘slow–starters’, maar daar maalt bijgeloof nu eenmaal niet om).

Het is dan ook overal ongebruikelijk, of zelfs verboden, om te bedelen of te gebruiken van anderen zonder tegengift in de nieuwjaarstijd; er wordt alleen maar geleend, voorgeschoten of geruild.

Voor typische ‘gevers’ is dat ook weer een probleem, dat gelukkig op te lossen is in het kader van goede voornemens en daden, die een wissel trekken op het redelijk slagen van het verdere jaar (‘geluk moet je afdwingen’), of zelfs op latere stoelen in een hiernamaals. De idee van een ‘schone lei’ speelt daarbij een rol.

In het dorp waarin ik woon ging ik zo rond 1970 op oudejaarsochtend naar de schilder-glaszetter-behanger om mijn in het jaar opgebouwde rekeningen te vereffenen (gewoon gedurende het jaar betalen was zeer ongebruikelijk en duidde vóór alles op wantrouwen); teut, ‘je kunt op één been niet lopen’, tolde ik dan verder naar de smid/kachelreparateur, en op nieuwjaarsdag waren we zo elkaars gelijken: we waren ‘lyk’ (of tenminste allemaal even dronken) en dat was geruststellend.

Een wel zeer inzichtelijk gedicht over de periode van winter tot de vasten, waaruit zeer sterk naar voren komt dat het een traditionele aangelegenheid betreft, uit ±1550:

Tsa laet ons koopen nieuw logenboeck – Het jaer verloopen raeckt in een hoeck

Nu moetmen quelen en wesen sot – Al soumen spelen slecht op een schot

Want hier en daer singhtmen voorwaer – Het nieuwe jaer op menigh Rommelpot

Men speelt den Koning ghelijckmen plagh – Elck in sijn wooning dertienden dagh

Op Tafels schaftmen dan vry – Leckere Wafels en Rysenbry

Oock altemet Pankoecken vet – Suycker Bancket en ander leckerny

Op ander plaetsen in tijdt van ijs – Rijtmen op Schaetsen om eer en prijs

Ryers en Rysters zijn by den back – Vryers en Vreysters int beste pak

Daer komen dan sien veel kijckers na dien – Om te verspien of daer oock yet ghebrack

De Kopper dagen volghen daer aen – Om tot sijn magen te gast te gaen

Soms loopen mommen met grijnsen veur – Spelen den stommen na d'oude sleur

Al zijnse wat mal, dan hevet een val – Het gaet doch al met de Vastelavont deur

Princen en Heeren weest vry verheugt – Men mag met eeren wel maken vreught

En oock orbooren een soete klap – Maer niet versmooren in dronckenschap

Want die boven reën na Tiribus treën – Wensch ick meteen int nieuwe jaer een kap.

Wie nu denkt dat zulke, soms zeer gewaardeerde rijmen en ander werk van leden van rederijker kamers (elke stad had er tenminste één) probleemloos onder het vaandel van een zekere vrijheid van drukpers konden verschijnen, moet bedenken dat plakkaten tégen

‘publijcque spelen van rhetorica, tzy van sinnen, esbatementen ofte andere’

heel wat meer persen aan het werk hielden. Rederijkers die teksten voordroegen, toneelspeelden, teksten uitgaven, of zelfs burgers die als kleermaker kostuums uitvoerden voor het ‘landjuweel’ (zoals Corn. Jansz., Kethel, Haarlem) dienden te kiezen ‘tussen toneel en sacrament’; tenslotte lag het zo:

“dattet oock haeren beroep nyet en was totten volcke Godts woort te spreken”, dies waren doch “eenige jonge huysluyden ende andere gemeene saecke quadtwillige persoonen”.

De, net als de schrijver van dit stuk, in Oosterlittens werkende Balthasar Becker mag dan zelf volop geprofiteerd hebben van de sfeer van drukpers vrijheid die ‘De Nederlanden’ kenmerkte toen hij rond 1690 zijn ‘Betoverde Wereld’ liet verschijnen, zelf bond hij de strijd aan met:

‘paapsche grollen en romans van Amadis van Gaule, van de Ridder Malagijs, van Valentijn en Ourson, van Fortunatus, en sulk slagh van quakken.’

Gelukkig wint in deze discussie de gedachte die zo prachtig (en veel eerder) is verwoord door Cornelis Pietersz. Hooft (1547 – 1626) regent te Amsterdam, en ja, natuurlijk; de vader van Pieter Cornelisz.:

“Hoe zoude mette vryheyd des geloofs accorderen, dat men anders nyet als eenderleye boecken zoude toelaten? alsoo sulcks geschiedende de luyden zelfs neyt met allen zouden mogen ondersoecken, maar alleenlyck moeten geloven tgene henluyden voorgedragen zoude werden”.

En zo komt uiteindelijk in 1798 de staatsregeling met vooraf ‘Burgerlijke en Staatkundige Grondregels’, “artikel 16:

“Iedere burger mag zijn gevoelens uiten en verspreiden, op zoodanige wijze, als hij goedvindt, des niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De vrijheid van drukpers is heilig, mids de geschriften met den naam van Uitgever, Drukker of Schrijver voorzien zijn. Deze allen zijn, te allen tijde, aansprakelijk voor alle zoodanige bedrijven, door middel der Drukpers, ten aanzien van afzonderlijke personen, of der gantsche Maatschappij begaan, dit door de Wet als misdadig erkend zijn.”

Met fijnere aanpassingen zal van dan af gelden wat daar staat en kan een ieder drukken wat hij of zij denkt te moeten drukken én verspreiden; de verkoop, het aanbieden, van drukwerk is niet meer aan

“non-valeurs en op het nulpunt aangelande verkwisters”

, die

“Met almanacken, lietjes, en somwijl met wat wonder wat nieus om lopen.”;

u begrijpt, het drukken en ronddelen van nieuwjaarskaarten werd gezien als een vorm van schooien: “Daer zijn soo veel luije boeven die daer de cost met winnen”.

Ik durf de stelling aan dat die zeer neerbuigende visie gold voor het gehele gebied van de boekdruk, voorzover niet uitdrukkelijk gesanctioneerd door kerk en staat.

De ‘Revolutie van 1492’, dat is ‘het doorbreken van de kerkelijke controle op het uitgeven van geschriften’ eerder dan ‘de uitvinding van de boekdrukkunst’, greep overigens nog veel dieper in dan alleen in de maatschappelijke hiërarchie. Er wordt niet alleen een einde gemaakt aan het alleenrecht van kloosters om boeken te produceren, maar er komt ook een eind aan de orale cultuur in Europa. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de waardering voor de twee ‘verteltechnieken’.

Vanaf het moment dat Johannes Gutenberg het voorbeeld geeft voor modern ondernemerschap (met geleend kapitaal georganiseerde productie realiseren met een winstoogmerk voor ondernemer en kapitaalverschaffer) is het met de vooraanstaande rol van de ‘vertellers’ gedaan. De ‘Juglares’, de Moors/Spaanse vertellers, verliezen hun maatschappelijke rol als verteller van de geschiedenis.

Ze krijgen een marginale rol als vermakers van het ongeletterde volk; ze worden ‘jongleurs’/‘jugglers’, waarbij ze overigens zo slim zijn die rol te gebruiken om ‘De Waarheid’ op markten en pleinen, en nu dus welhaast oncontroleerbaar, van commentaar te voorzien; als voorlopers van het cabaret.

De geloofwaardigheid/de rechten van de boekdrukkers moeten nog ernstig worden bevochten en het zal nog eeuwen duren voor kerk en staat de waardigheid van drukwerk erkennen.

Tegen die achtergrond moeten we dan ook de vaststellingen zien van A. Th. van Deursen en Frits van Oostrom; dat inventarissen in de Nederlanden opvallend weinig boekbezit aangeven. In tegenstelling tot hun conclusie dat boeken kennelijk een geringe waarde vertegenwoordigden, zou ik willen beweren dat boeken in ieder geval zo invloedrijk werden geacht dat boekbezit voor de eigenaren een potentieële levensbedreiging kon vormen. Die waarde werd zo hoog geschat dat dat risico werd genomen. Wanneer we alleen al de Franse, 1568, en de Engelse, 1569, Calvinistische versies van Jan van der Noot’s ‘Theatre’ vergelijken met de Duitse, Keulen 1572, uitgave en zien dat Van der Noot in 1578 als Rooms-Katholiek in Antwerpen terugkeert, waar hij overigens als Katholiek opgevoed was alvorens met de Calvinistische Consistorie Revolte mee te doen, dan begrijpen we hoezeer in woelige tijden het nadrukkelijk bezit en de waardering van boeken gevaar in zich draagt.

Naast het dragen van de maatschappelijke gevolgen van het dédain waarmee kerk en staat gedrukte boeken behandelde, moest een in zijn leven geïnteresseerd schrijver en uitgever in staat zijn zichzelf en/of de inhoud van zijn werk te corrumperen. Die factoren bepalen vele eeuwen de lage waardering voor deze kunst, die slechts voor ‘het volk’ enige betekenis mag hebben.

Een zeer waardevol voorbeeld daarvan is Van der Noot’s ‘Bosken’ en latere (na 1580) ‘Poëticsche Werken’, waarvan Leonard Willems in ‘Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie’, 1921, zegt: “Van der Noot drukte zijne verspreide gedichten op Folio plano, van weerskanten gedrukt, – hetgeen geplooid en in boekvorm gebracht, 2 folio’s uitmaakt = 4 bladzijden. Die folio’s droegen noch paginatuur, noch signatuur, noch custoden. Zoodanig dat ieder exemplaar der ‘Poëticsche Werken’ eigenlijk op verschillende wijze samengevoegd kon worden, en feitelijk dan ook verschillend is. – Had Van der Noot een liefhebber gevonden, die den vollen prijs betalen wilde, dan werd hem een exemplaar samengesteld met een groot getal folio’s. – Was de kooper een kniezer die tegen den hoogen prijs opzag, dan kreeg hij een exemplaar met een beperkt getal folio’s. – Was de liefhebber een Katholiek, dan werden (voor de P.W. van 1580 – 1585) de folio’s ter zijde gelaten, waaruit bleek dat de dichter eenen Giles Hofman of welk anderen vurigen Calvinist ook had bezongen. – Integendeel, was de liefhebber een hevige geus, dan bleven de folio’s weg, die bewezen dat Van der Noot de bescherming van gekende Katholieken zocht.”

Bij dat al moeten we ons realiseren dat Jan van der Noot de levensgevaarlijke wens koesterde zijn werk bekend te laten zijn in de gehele wereld:

“Si la faveur Celique, Me fait ce bien que dedans l’univers, Les divers de ma Muse Lyrique, Soient publiez…”;

daar hoort een beleid bij.

We kennen nu nog drie exemplaren van ‘Het Bosken’, zijn belangrijkste werk.

Van de door Balthasar Becker zo gewraakte ‘Die Schoone Historie Van Malegys’ heeft Dr. G.J. Boekenoogen (excuse the pun) slechts één exemplaar in de Bibl. de l’Arsenal te Parijs kunnen traceren.

Nu kan men zich bij het verloren raken van nietige, handgeschreven, margeloze, liedboekjes met de versregels als proza doorlopend (foute teksten ‘op de wijze van’) [de welhaast gehele oplaag van het miniscule ‘Schoon Liedekens Boeck’, bekend als het Antwerps Liedboek (op de Index in 1546); of zelfs vier edities (waarvan één roofdruk, dus de populariteit moet enorm zijn geweest) van het tenminste toch dikke ‘Geestigh Liedt-Boecxken’ van G.A. Bredero (één exemplaar in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag)] misschien nog iets voorstellen; echter, de Malegys uitgave bij Jan van Ghelen [1556 Antwerpen, ruwweg 14 x 19 cm.], met tachtig houtsneden, waarvan zes speciaal hiervoor gesneden (één ervan meet 12 x 14 cm.)] was toch waarlijk niet onooglijk; en het moet dus zo zijn dat men zulke boeken liever niet zo nadrukkelijk vermeldde in zijn lijst van bezittingen, of ze ‘even’ wegmaakte om ze niet hardhandig te laten wegmaken.

De direct levensbedreigende avonturen, die de wetenschappers in Europa moesten aangaan, om met Walleus in discussie te zijn over de bloedsomlooptheorie van Harvey, tonen aan wat voor een idioot je moet zijn geweest om in die tijd met nadruk een ‘waardevol’ exemplaar van een boek van een dichter of romancier in je kast te hebben, terwijl het voor wetenschappelijke doelen al je kop kon kosten om ‘niet welgevallige geschriften’ in een boekerij te hebben.

Tot slot benadruk ik nogmaals dat het hier dus gaat om situaties in De Nederlanden, waar overheden eerder dan waar ook en tot grote ergernis van alle omringende landen een vrije pers wensen te hebben.

Ik denk aan de hand van de bekende kopperprenten, na lezing van de gedichten, te mogen constateren dat die traditionele lofliederen op Laurens Janszoon Coster thuishoren in het cultureel erfgoed dat/de gedachtenwereld die zich realiseert dat het de drukpers is die de burger stem geeft; daarmee kan ik verklaren waarom gezellen/werknemers hun kostbare vrije tijd offeren aan hetzelfde werk dat ze iedere dag al moeten doen; tenslotte was het een gezellen-feest.

De dag als zodanig was er zeer geschikt voor: het was een traditionele feestdag waarop de rollen werden omgedraaid en waarop ‘opnieuw’ werd begonnen; er werden beloftes gedaan voor de kwaliteit van het drukwerk voor de klanten van het komende jaar en wanneer van smout de prent was gedrukt was alles voor zijn roodkoperen.

n.b. hoe gevaarlijk zo’n woord-associatie is blijkt maar weer eens uit de omstandigheid dat het bargoens aangeeft dat het “voor zijn ruige roodkoperen reet’ is; en dat dat mogelijk op gespannen voet staat met de Sri-Lankaanse traditie uit de 16de eeuw, waarbij met een koperen geldstuk bij de bruiloft werd aangegeven dat het meisje maagd was: een goed begin.

En dat goede begin is dan weer over de gehele wereld in alle tijden gesymboliseerd met koperen munten, plakjes (en dat al eeuwen voor er zelfs maar sprake van geldstukken was), of papiertjes met koperkleurige vlakken.

GEZELLEN EN STAAND SMOUT

Zo na Drie Koningen, met Vasten in zicht, waren er vele volksfeesten waarbij naar oude traditie (denk ook aan het idee ‘Jubeljaar’) al vorens nieuw te beginnen, de verworvenheden uit het verleden werden afgenomen en de verhoudingen op de kop werden gezet: de kinderen waren de baas en sloten ouders en schoolmeesters buiten, gezellen namen de leiding over in het bedrijf, enz., novicen namen de leiding over in kloosters en leidden een ezel tot voor het altaar; geheel met knipoog naar Christus’ keuze van rijdier bij de intocht in Jeruzalem:

1 Aus dem Morgenlande kam
Uns ein Esel lobesam
Esel schön und tapfer sehr
Keine Last ist ihm zu schwer
He, Herr Esel, he!

2 Ruben zog auf Sichems Höhn
Auf den Esel stark und schön
Durch des Jordans Bette tief
Er gen Bethlem hurtig lief
He, Herr Esel, he!

3 Also zierlich tanzt einher
Rehlein, Zicklein nimmermehr
Also hurtig traben kann
Kein Kamel aus Madian
He, Herr Esel, he!

4 Goldbeladen kam I-ah
Fernher aus Arabia
Fern aus Saba hat beschafft
Gold und Weihrauch Eselskraft
He, Herr Esel, he!

5 Während er im Karren keucht
Und gar schwere Lasten zeucht
Mahlt sein starkes Backenbein
Hartes Futter Kurz und klein
He, Herr Esel, he!

6 Gerstenstroh mit Acheln dran
Distel er verknausen kann
Auf der Tenne mit Bedacht
Drischt von früh er bis zur Nacht
He, Herr Esel, he!

7 Amen spricht nun, Eselein
Wirst wohl satt vom Grase sein
Amen, Amen früh unn spät
Alles Alte sei verschäht
He, Herr Esel, he!

 

Van het Festum Stultorum/Festum asinae, gevierd op nieuwjaarsdag (d.w.z. 1 januari, of 1 april) was er, na de uitroeiïng van dit ‘zottenfeest’ door Eudes de Sully in 1199, toch nog dit door Petrus van Corbeil geredde lied over; een parallel met het Officium Prophetarum, de Balaam rol uit het Festum/Processio Asinorem.

(KOPPER)MAANDAG

Met Vrouw Holle, Brederode, de nieuwjaarsgedichten en verdere uitweidingen is al duidelijk geworden dat enig kopperen bij het begin van het jaar hoort. Een verdere bepaling is die van de ‘maandag’ zoals we die kennen in de samenstelling ‘koppermaandagprent’.

Komen we de ‘copperkernsdach’, ‘copperdach’ en ‘coppeldach’ tegen in teksten rond 1250 in de Zuidelijke Nederlanden, in het Noorden vinden we ook ‘raesmaendagh’, in Duitstalige streken vindt men in hetzelfde verband en ter zelfder tijd de ‘blaue montag’. Het blauw zou middels de Kaballa tot ons zijn gekomen als kleur die bescherming biedt.

Vrije dagen zijn, voor de klasse die zichzelf als geheel te koop aanbiedt tot Marx de arbeidsproductiviteit definitief weet te scheiden van de individu die ervoor zorgdraagt, geen tot de dagelijkse realiteit behorende en regelmatig terugkerende gebeurtenissen.

Georg Stark uit Jever heeft een studie gedaan waaruit blijkt dat in 1330 de perkamentwerkers in Lübeck, en in 1371 de vatenmakers in Hamburg, na een felle sociale strijd hun eerste vrije dag verwierven: de maandag.

De maandag werd ‘de vrije dag voor de handarbeiders, die in gezellenverband blauwe (Isatis Tinctoria, voorloper van Indigo) kleding droegen; een kleur die ze benoemen als kleur die voor onderlinge trouw staat.

In heel Europa zien we de idee van ‘lekker niets doen’ vertaald worden in “faire le Lundi”, “La Lunediana”, “keeping Saint Monday”, “blaa Mandag”; de onwerkelijkheid van de dag verkeerde al gauw in zijn tegendeel en komt dan terug in aanduidingen als de blauwe maandag die men ergens iets gestudeerd zou hebben.

Tijdens de industrieële revolutie raakten de arbeiders hun vrije dag weer kwijt, welhaast daglichtloze levens sleepten zich voort in grauwe werkhuizen; het verlies in arbeidsproductiviteit dat daarvan het gevolg was werd zeer Christelijk opgelost door een deel van de ‘dag des Heeren’ vrij te geven. Deze soort ‘nauwelijks vrij’ werd uiteraard besteed aan het verzuipen van de ellende. Zo sprak men al snel van een ‘blauwe maandag’, met de parallelle betekenis van blauw, dood, als hoofdbegrip.Dat soort blauw werd door de invoering van het zogenaamde ‘Engelse weekend’ opgelost.

In Zuid-Amerika gebeurde dat tamelijk kort geleden en men heeft daar dan ook cijfers, die bijvoorbeeld in Chili aantonen dat de weekend-dronkenschap in korte tijd afnam van ruim 60% naar minder dan 8%.

CONCLUSIE:

Op zulk een verwarrende manier zal steeds het nieuwe en het oude naast en door elkaar bestaan. Door het verschil van waardering voor het belang van zaken, dat optreedt als gevolg van de verandering van de directe functie die iets heeft voor het dagelijks leven, is de betekenis van zaken (een beeld, een woord, etc.) onderhevig aan interpretatieverandering.

Daarnaast is het welhaast onmogelijk om je de wezenlijke voorstelling van zaken eigen te maken, die individuen hadden in een tijd die duizenden jaren achter ons ligt.

De diverse vertellingen, handelingen, gebruiken, spelen en spelletjes die horen bij de ‘jaarwisseling’ in noord west Europa vormen een onontwarbare kluwen met talloze waardevolle stukjes, overgebleven uit vroeger tijden; met steeds weer een daaraan ‘gekoppelde’ gretige wens voor ‘later’.

Als gevolg van recente ervaringen van een volk is de waardering voor tradities groot of juist geheel afwezig. Kennen de Engelsen ‘Hexey Hood’ op ‘Twelth Night’ als wildste melange van tradities (ik ga niet eens proberen het uit te leggen, maar het speelt met elementen van overleveringen van duizenden jaren oude veenlijken, tot en met de hoed van Lady Mowbray uit de veertiende eeuw en veel zwart landbouw plastic); in Nederland heeft men na 1945, om begrijpelijke redenen, getracht een streep te zetten achter alle vermeende of niet vermeende ‘onzakelijkheden’ uit het verleden die ook maar in de verte verwezen naar ‘volks-eigen’.

Dan is het toch ook weer grappig dat, geheel naar de aard van de mens, er weer een traditioneel gegeven ontstaat.

Het gilde idee moge definitief afgezworen zijn, maar het ‘oer-Hollandse’ idee van vrijheid van drukpers als verworvenheid van de grafische bedrijfstak werd hernieuwd leven ingeblazen met het maken van de zo geheten ‘kopperprenten’: nieuwjaarsprenten, gedrukt als meesterproeven, gemaakt met een vrijheid in ontwerp die het vak in de rest van het jaar zelden kent, uitgegeven in een feestelijk gezelschap van drukkerij bazen bij het begin van het zakelijk jaar; altijd met een cultureel randje in de vorm van een respect-volle knipoog naar het verleden en een zelfbewuste blik gericht op de toekomst.

 

2003 Joseph Johannes Visser