Het Kersenbloesemfeest wordt in Japan al gevierd in de 7de eeuw, vast onderdeel ervan is gelegenheids poezie.

Regenboog van hemden en koorden

verzadigde ontknoping

van een opwindend kersenbloesemfeest

Budding Cherries, unbuttoned knots

My hanagoromo finds satiety in the loneliness of my boudoir

Colourful dénouement of Hanami

Deze haiku is van Sugita Hisajo (1890 - 1946). Nederlandse en Engelse bewerking: Joop Visser

In 1928 schreef zij (Sugita Hisajo) over dit gedicht het volgende:

"Terwijl zij zich van haar 'hanagoromo' ontdoet* is de vrouw opgewonden geïrriteerd door de koorden die haast verward raken in haar kleding.
Tegelijkertijd is ze aangenaam vermoeid na haar bezoek aan een kersenbloesemfeestje.

Mijn gedicht toont een ingetogen moment waarin meerdere aspecten van de koorden worden overdacht: hun veelkleurigheid, hun ietwat slordige weerbarstigheid en hun soepele meegaandheid bij het loskomen"

*d.w.z.: Terwijl zij de uitbundig gekleurde kimono's de één na de ander aflegt

Sugita heeft enkele romans geschreven, zij bestudeerde de mogelijkheden van de 'tanka' versvorm. Ze werd een gevierd haiku-dichteres in de periode 1920 - 1930. De laatste jaren van haar leven waren erg ongelukkig; haar werk werd pas zes jaar na haar dood gepubliceerd.

Iets over de oudere Japanse poezie.

Net als ieder ander taalgebied kent Japan vele poëtische uitingen. Er is door zowel Japanse als Europese taalwetenschappers veel energie gestoken in het classificeren van die poëzie. Daarbij is er een onnatuurlijke nadruk gaan liggen op de esthetische vorm. Bij een eerste verkenning van de Japanse poëzie lijkt het wel eens alsof het tellen van lettergrepen de belangrijkste bezigheid is. Het is jammer dat esthetica daarbij teruggebracht wordt tot een eenvoudig numeriek stelsel.

De Japanse poëzie is zeker zo afwisselend, veelvormig en ongebonden als die van elk ander willekeurig land. Wanneer we er toegang toe willen krijgen is het, als altijd, het beste om ons bij ieder afzonderlijk gedicht, opnieuw wezenlijk te verdiepen in de eigenlijke inhoud. Een dichter is iemand die, als iedere andere kunstenaar, probeert een vorm te vinden voor iets dat hem of haar geraakt heeft. Natuurlijk kan dat de schoonheid, het grappige of de banaliteit zijn van een rekenkundige wetmatigheid; maar zoals niet de grootsheid van diepzinnige gedachte het enige criterium kan zijn in een waarderingsstelsel, zo gaat dat ook op voor de vindingrijkheid die getoond wordt in de omgang met Euclidische rekenmodellen.

Ik wil proberen hier enkele poëzievormen aan te stippen.

In de Nihonshoki (kroniek uit 720) vinden we "de kleine bamboe krab" van 'Lady Sotori' (Sotorihime / Sotoshi), schoonzuster van keizer Ingyo (412-453). In dit liefdes'lied' wordt vrij veel plaats ingeruimd voor het uitleggen hoe metaforen kunnen ontstaan; 'lied' staat hier met aanhalingstekens omdat ons idee 'lied' mogelijk niet hetzelfde is als het in het gedicht gebruikte woord doet vermoeden.

Chikara Igarashi signaleert in 'The genesis of Japanese Poetry and its Development' (1948, Tokio: Kaizô) de begroetingszinnen van de goden Izanagi en Izanami: "Hoe gelukkig! Mijn ontmoeting met een waardig man. - Hoe gelukkig! Mijn ontmoeting met een innemende vrouw.", en benoemt ze als: zozeer gevormd door literaire wil dat ze gezien moeten worden als aanzet tot wat we later als de 'katauta' zullen leren kennen. Katauta zijn de onderdelen van de 'mondô' (vgl. in Europa: 'discours') het ritueel, poëtisch spel van vraag en antwoord zoals beschreven door Shinobu Origuchi. Tachibana Moribe (1781-1849) had daarvan al vastgesteld dat het geen gezongen liederen betrof.

Haiku zien we uit deze dichtvorm ontwikkelen als één der armen van vraag en antwoord. De vindingrijk gekunstelde en zo kort mogelijk ritmisch gevormde samenstelling van zinnen, die een compleet beeld geven, zijn gelegenheidspoëzie bij uitstek.

Bij de zich opdringende vergelijking met het puntdicht (rederijkers) is het grappig te constateren dat er een traditionele strijd is met betrekking tot de begindatum van haiku. Runen-cryptiek worden ook bij ons niet als poëtische start herkend. Onderzoeker Shiki stelde (±1890) dat er geen haiku bestond voor de Genroku periode (1668-1703). Hij baseert zich daarbij op classificatie in vier typen van de 183 gedichten die zijn opgenomen in de Kojiki en Nihonshoki.

Zijn de katauta vraag en antwoord van twee sprekers, bij een dichtvorm waar vorm en ritme hieraan gelijk zijn, maar er vraag noch antwoord wordt geformuleerd door slechts één spreker, noemen we de dichtvorm: 'sedôka'.

De ritmebepaling die nogal rigide gehanteerd wordt bij de classificatie, waarbij we ook nog een verdeling in 'chôka' en 'tanka' kennen, is soms toch nogal dubieus; wanneer bepaalde lettergrepen als: 'toch meer twee dan elders toch duidelijk één klank' worden geteld.

Verdelingen van de verschillende versvormen naar hun inhoud leveren vervolgens Japanse equivalenten op voor 'natuurgedichten', 'spotliedjes' e.d.. Handig voor bundels die een bepaald publiek moeten aanspreken, maar geen classificerings mogelijkheid omdat de poëzie natuurlijk alleen daar ligt waar er uitdrukking is gevonden voor een complete gebeurtenis, die deel is van het individueel universum.